Paas Haas(t)

Zondagmiddag, Eerste Paasdag. Zonder achterom te kijken, steekt een dame voor mij schuin het fietspad over. Haar jas is half open. Ze tilt de lus van haar schoudertas over het hoofd, haalt haar lange haren onder haar sjaal vandaan en haast zich in een wisselend tempo, dan weer een drafje, dan weer wandelend, over het fietspad. Even verderop aan de andere kant van het fietspad staat een oudere meneer voor een auto met knipperende lichten. Ik vermoed haar vader.

Je ziet het aan een bepaalde blik in zijn ogen. Onvoorwaardelijke trots.

Zo’n blik van blijdschap en genegenheid die alleen vaders en moeders kunnen hebben wanneer ze naar hun kroost kijken. Ik prijs me gelukkig dat ik die blik herken.
Hoewel de dame een volwassen vrouw is, ik schat haar begin twintig, blijft ze altijd het kind van deze man. Het zit er bij hem ingebakken om zich over haar te ontfermen. Zodra hij opmerkt dat ik pal achter haar fiets, waarschuwt hij dan ook dat ze aan de kant moet gaan. Vermoedelijk was ze te laat en stond haar vader juist veel eerder dan de afgesproken tijd op de stoep.

Door de haast en chaos, vergeet ze de wereld om haar heen.

Met haar wankelende pas, stel ik me zo voor dat ze de nacht ervoor iets minder dan normaal geslapen heeft, en iets meer dan gebruikelijk gedronken. Dat heb je met die familiefeestdagen die direct na een zaterdagavond vallen. Je drinkt er nog een paar met je vrienden, waagt een dansje tot diep in de nacht en neemt na afloop misschien nog wel gezelschap mee naar huis. De volgende dag word je wakker met een lichtkloppend hoofd en bedenk je dat je op moet schieten. Of je nu om 12.00 uur of om 15.00 uur wordt opgehaald, je komt altijd tijd te kort. Je wilt nog even doorslapen, tegen je bezoek aankruipen, uitgebreid ontbijten, hangen en bijkomen.

Maar de tijd tikt door.

Wat zou je ook alweer aantrekken? Wat moest jij meenemen voor het diner? Oh en shit, de cadeautjes zijn nog niet ingepakt. Je hoofd draait al op volle toeren, maar je lijf ligt roerloos in bed. Je staart naar het plafond, knippert met je ogen en voor je het weet dommel je weg in een vluchtige dagdroom waarin je alle taken al hebt volbracht. Maar als je dan wakker schrikt, realiseer je dat je geen steek verder bent gekomen en er een groot gat in de tijd is geslagen.

Drie kwartier later, onverrichter zake.

En dan gooi je de lakens van je af en sta je op met een bonkend hart. Opschieten. Minder dan een half uur nog om jezelf te fatsoeneren. Je stelt prioriteiten. Wel douchen, maar niet opmaken, wel tandenpoetsen maar niet ontbijten, wel tas inpakken maar geen cadeautjes inpakken. En dan denk je dat 25 minuten al aan de krappe tijd is, maar je lieve vader staat vervolgens ook nog eens tien minuten eerder te bellen …

De dame huppelt snel naar de andere kant en terwijl ik langs de vader fiets, kijken we elkaar lachend aan. “Fijne Pasen!”