#3 Hindernissen


Dit is een vervolg op mijn tweede blog ‘De diepte in’. Heb je die nog niet gelezen? Doe dat dan eerst 🙂

Nog net op tijd wist ik de leuning van de roltrap te grijpen en mezelf en mijn hutkoffer te stabiliseren. Dat ding was natuurlijk veel breder dan een roltraptrede, dus ik moest ‘m met man en macht tegenhouden om er niet vanaf te donderen. Dat ging niet eenvoudig, gegeven het feit dat ik ook 25 kilo op mijn rug droeg en er steeds iemand wilde passeren in de beperkte ruimte die er links van mij nog over was.

Het geheel zorgde ervoor dat ik er op z’n zachts gezegd wat ongemakkelijk bij stond, terwijl de roltrap ons op een slakkengang naar beneden voerde. Dit tafereel was natuurlijk niet onopgemerkt gebleven bij de tegenliggende reizigers op de roltrap rechts, die omhoog gingen. Mijn gezicht en lichaamstaal moesten boekdelen hebben gesproken. Ik zag ze grinniken. En ik gaf ze geen ongelijk.

Ik haalde diep adem en BEREIKTE veilig de underground. een overwinning.

Vanaf hier konden we twee kanten op. Southbound of Northbound. Dit wist ik: ‘Southbound!’, had Adam gezegd.
Op het smalle perron, bedrukt tussen de wachtende forenzen en toeristen, voelde ik vreugde. Een feest van herkenning om weer in the tube te staan. Niet dat ik per definitie blij werd van die benauwende buisvormige halte met zijn lage, gebogen plafonds en muren. Of van het kenmerkende logo van the underground, de rode cirkel met in het midden een donkerblauwe balk met de betreffende naam van het station. En overal levensgrote posters met advertenties variërend van tentoonstellingen in de Victoria and Albert Museum tot goedkope telefoonabonnementen. Het moest een crime zijn om deze posters op te hangen en ze zo strak te krijgen, tegen die muren die niet recht lopen, maar gebogen. Al deze elementen associeerde ik met leuke herinneringen aan Londen. En het idee dat ik nu voor een aantal maanden hier zou wonen, gaf me een euforisch en trots gevoel.

Ik hoorde een metro aankomen.

Iedereen op het perron veranderde van houding of plek. Sommige liepen ver naar voren tot over de dikke gele streep aan de rand. Ik stond weer stijf stil, in afwachting wat ik zou treffen in de metro. Gezien de drukte op het perron schatte ik de kans dat ik er tussen zou passen met mijn idiote hoeveelheid bagage, zeer laag in. Het waren van die momenten waarop ik dacht: was het nou echt nodig om die föhn met drie verschillende kopstukken mee te nemen? Had ik die Longmans Dictionary of Contemporary English à 2162 pagina’s niet beter toch thuis kunnen laten? Gedachten waar ik nu werkelijk niets aan had, maar die ik de volgende keer hopelijk iets eerder zou hebben. Vóórdat ik ga inpakken, zeg maar.

Daar was hij.

De metro kwam tot stilstand en opende zijn gebogen deurtjes. Alsof ze de adem te lang hadden ingehouden, stormden de passagiers het voertuig uit. Drommen tegelijk. Het smalle perron was niet geschikt om zoveel mensen eruit te laten terwijl het wachtende publiek nog geen kant op kon. En ik, met mijn hutkoffer en rugzak, stond als vanzelfsprekend gigantisch in de weg. Ik deed mijn ogen dicht, verroerde me niet en liet de mensen zo goed en zo kwaad als het ging passeren. Armen, schouders, benen of andere ledematen schuurden met horten en stoten langs de mijne. Ik riep een paar keer sorry tegen niemand in het bijzonder. Een walm van zweet, die niet de mijne was, maar wel had kunnen zijn, hing in de lucht. ‘Mind the gap between the train and the platform’, zei een mannelijke computerstem.

Ik wachtte mijn beurt netjes af, maar toen het eenmaal zover was, durfde ik niet meer.

Het was te vol. Een man met dreadlocks, die al in de metro stond, kwam er snel weer uit, tilde mijn koffer op en trok me met zijn hand op mijn rug naar binnen. Ik meende op de gezichtsuitdrukkingen van omringende passagiers te zien, dat ze not amused waren met zijn vriendelijke actie. Maar wat was ik blij met deze man. Met een grote, ongemakkelijke, maar zeer dankbare glimlach bedankte ik hem. Daarna durfde ik niemand meer aan te kijken. In zulke gevallen is het beter om de confrontatie gewoon niet aan te gaan. Je weet dat er mensen kijken, maar als je ze niet ziet, is het minder gênant. Het was bovendien al warm genoeg.

We naderden station Victoria. Ik speelde het vervolg in mijn hoofd af: gewoon meelopen met de menigte en dan overstappen op de District Line naar Richmond. Nog één hindernis te gaan. Ik moest honderden meters door een looptunnel om bij de District Line te komen.

Het moment van de waarheid kwam tegen het einde van de looptunnel.

Vanaf hier was de enige weg: naar boven. Ik keek omhoog en gaapte naar een enorm lange trap van zeker veertig treden. Hoe was dit mogelijk met mijn hutkoffer? Rollend was-ie al nauwelijks vooruit te branden, laat staan omhoog. Ik deed een verwoede poging om hem op te tillen, maar kreeg het met geen mogelijkheid van de grond …

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees het vervolg ‘Ontregeld
Wil je op de hoogte blijven van nieuwe verhalen? Volg me dan op Facebook, Twitter of Instagram.